29 oktober 2017

‘Hoog op de ranglijsten zegt niet alles!’

Dit artikel verscheen eerder in tijdschrift Vector van de Fontys Lerarenopleidingen Tilburg.

Finse rector bezoekt onderwijsstad Tilburg

‘Hoog op de ranglijsten? Dat zegt lang niet alles!’


Nederland kijkt met bewondering naar het succes van het Finse onderwijssysteem. In het gesprek over onze eigen keuken voeren eerder kritiek en ontevredenheid de boventoon. Het voelt dan even onwennig: een Finse rector die in Tilburg inspiratie komt halen voor haar school. Maar al snel blijkt: we kunnen vooral veel van en met elkaar leren.

Ze luistert, ze observeert, neemt af en toe een foto. Arja Aalto-Laaksonen is rector van de academische opleidingsschool van de Universiteit van Tampere. Ze verblijft een weekje in Nederland met een koffer vol vragen. ‘Ik wil weten hoe wij de didactische mogelijkheden van ict beter kunnen gaan gebruiken en hoe we ons onderwijs meer kunnen invullen vanuit projecten rond échte vragen en problemen. Ook wil ik ideeën opdoen voor het meer systematisch in kaart brengen van de kwaliteit van wat we doen.’

Na werkbezoeken aan onder andere het Heerbeeck College in Best, het Mencia de Mendoza Lyceum in Breda en het Hyperion Lyceum in Amsterdam staat vandaag, 20 april, een dagje Tilburg op het programma. Het menu: een lunch op de Fontys Lerarenopleiding Tilburg en een rondleiding op het Odulphus Lyceum, waar ook een gesprek plaatsvindt met studenten van de eerstegraads lerarenopleiding van de Tilburg University.

Gidsland
Als het gaat om onderwijs kan Finland gerust een gidsland genoemd worden. In de internationale PISA-ranglijst staat het land al jaren aan de top. Alle leraren zijn er universitair opgeleid. Maar wat maakt het Finse onderwijs nog meer bijzonder? Aalto-Laaksonen: ‘Onze leraren hebben veel autonomie in hun werk. Zo hebben we geen inspectie: het systeem is gebaseerd op vertrouwen in de professional. Wel is er zoiets als een nationaal curriculum dat het wát voorschrijft, de kennis die moet worden overgedragen. Er is veel tijd en ruimte om als team te werken aan de kwaliteit van het onderwijs, elkaars lessen te bezoeken en te werken aan de eigen ontwikkeling. Dat zorgt voor een professionele cultuur.’ Anton Bastiaenen, lerarenopleider Bèta+ van FLOT, was een week voor het Finse werkbezoek zelf in Finland. Hem vielen vooral de open werksfeer en rust in Finse scholen op.

Egaliserend
Aalto-Laaksonen vertelt dat in Finland de leerlingen van alle niveaus bij elkaar in de klas zitten totdat ze 16 jaar zijn. ‘Daar zitten twee gedachten achter. Ten eerste is er het sociale aspect van elkaar ontmoeten en leren samenwerken. Maar er is ook het feit dat kinderen zich in de puberteit nog zeer sterk kunnen ontwikkelen, bijvoorbeeld op het gebied van abstract denken. Jullie halen de kinderen te vroeg uit elkaar. Ik denk dat je daarmee de kans loopt dat er potentieel talent onbenut blijft. We geven leerlingen veel kansen om hun talent te ontdekken, maar hebben in zekere zin ook een egaliserende onderwijscultuur. De beste leerlingen zouden misschien verder kunnen komen als we ze bij elkaar zouden zetten met een passend aanbod. Differentiëren is overigens wel degelijk mogelijk. Het Finse voortgezet onderwijs kent geen profielen. Leerlingen volgen van alle vakken de basismodules, maar kunnen zich daarnaast specialiseren door extra modules te doen van de vakken die ze boeiend vinden of waar ze goed in zijn. Ons systeem past bij de Finse cultuur. Tegelijkertijd is het natuurlijk ook een politieke keuze hoe je je onderwijs organiseert.’

Normaalikoulou
De school van Aalto-Laaksonen is een zogenaamde normaalikoulou, waar leerlingen van 16-18 jaar zich voorbereiden op de universiteit. De school is onderdeel van de Universiteit van Tampere. Studenten van de lerarenopleiding doen er hun stages. Heeft Finland, net als Nederland, moeite om voldoende studenten te interesseren voor de lerarenopleiding? ‘Integendeel’, glimlacht Aalto-Laaksonen. ‘Het beroep van leraar is erg populair. Hoewel een dokter of jurist beter betaald wordt, willen veel jongeren naar de lerarenopleiding, we moeten zelfs selecteren. Jongeren zijn gemotiveerd voor het beroep omdat het werk is dat ertoe doet. De beroepsgroep kan rekenen op veel respect vanuit de samenleving. Ook de autonomie in het werk spreekt aan. Daarnaast is de betaling prima, al is dat nooit de belangrijkste drijfveer. En ja, veel vakantie vindt men ook aantrekkelijk.’

Master voor de klas
Het Finse systeem van leraren opleiden, lijkt op de manier waarop de universitaire lerarenopleiding in Nederland is vormgegeven, blijkt in een gesprek met drie studenten van de Tilburg University. Vincent van Hak behaalde eerst zijn master in filosofie en is nu bezig met de eenjarige opleiding tot docent: ‘We worden meteen voor de klas gezet. Er wordt immers van ons verwacht dat we voldoende vakkennis hebben opgedaan in de masteropleiding om een verhaal te kunnen vertellen. Enerzijds heb je met één jaar lerarenopleiding niet echt de tijd te groeien in je rol, maar dat kun je ook nog wel doen als je straks aan het werk bent als docent.’ Een verschil met Finland: de universitair opgeleide docenten in Nederland komen als eerstegrader uiteindelijk bijna allemaal terecht in de bovenbouw van de havo en in het vwo, In Finland zijn alle leraren, ook voor het basisonderwijs, universitair opgeleid.

Twee typen lerarenopleiding
Tijdens de lunch komt het Nederlandse onderwijssysteem ter sprake. De Finse rector is geïnteresseerd in het feit dat wij een hbo-opleiding kennen, die op bachelor- en masterniveau opleidt tot integrale docent met veel aandacht voor de professie van leraar. Hbo- en universitaire opleidingen hebben hun eigen gezicht. Hiermee kunnen we recht doen aan verschillende typen student. In de scholen functioneren afgestudeerden naast elkaar. Ze zijn complementair en dat wordt door scholen steeds meer als een goede mix gezien. Er lijkt dan ook geen sprake van concurrentie tussen de hogeschool en de universiteit. Integendeel: er is overleg om te kijken naar hoe de verbinding kan worden gevonden. Bij beide onderwijstypes hebben bijvoorbeeld de startende docenten de aandacht. Op een aantal scholen worden ze in het kader van het project Begeleiding Startende Leraren de eerste drie jaar begeleid door getrainde coaches.’

Kwaliteitsborging
FLOT-directeur Yvonne Visser licht toe hoe het kwaliteitsborgingssysteem in het hoger onderwijs werkt met accreditaties en tussentijdse (interne) audits. ‘Zo werken we gestructureerd aan kwaliteitsverbetering.’ Aalto-Laaksonen vindt met name de planmatige aanpak interessant, zoals die speelt bij de raadpleging van het werkveld waar het gaat over de masteropleidingen. In het gesprek gaat het over de vragen die daarbij ter sprake komen. Welke eigenschappen, kennis, vaardigheden, attitudes moet de ‘toekomstbestendige’ docent hebben? Wat onderscheidt de bachelor van de master en hoe kunnen we in gezamenlijkheid werken aan kwaliteit? Er komen voorbeelden ter tafel over hoe dit al wordt ingevuld. Bij de professionele leergemeenschappen spelen de lectoraten een belangrijke rol. Vakdidactische netwerken bieden studenten de gelegenheid afstudeeronderzoek of onderzoeksmatige opdrachten op de scholen uit te voeren. Ze zijn ook bedoeld voor de verdere professionalisering van collega’s in de scholen.

Een beetje langzaam
Terug naar het Finse verhaal. Het lijkt in veel opzichten perfect. Toch nog een keer die vraag: waarom dit bezoek, juist aan Nederland? Aalto-Laaksonen: ‘Ons onderwijs zorgt prima voor kennisoverdracht, het systeem is stabiel, maar daarmee ook een beetje langzaam. Nu er zoveel verandert in de wereld, dreigt zich dat te gaan wreken. We innoveren niet snel genoeg. PISA zegt niets over creativiteit, sociale vaardigheden en toekomstgerichtheid in je onderwijs, terwijl dat nu snel belangrijker wordt. Je moet je vooral niet blindstaren op onze hoge PISA-scores. Het is maar één manier om te kijken naar onderwijs. Wat ik hier tot nu toe heb gezien, is dat het Nederlandse onderwijs flexibeler is, dat men meer durft te experimenteren en meer doet met het uitwisselen van kennis, ervaringen en ideeën, ook in internationaal perspectief.’

Licht en ruimte
Een bezoek aan het Odulphus Lyceum blijkt die observatie van de rector te illustreren. Docent Michel Pijpers van de havo-afdeling geeft een rondleiding. ‘Drie jaar geleden hebben we hier een nieuw onderwijssysteem geïntroduceerd vanuit de vraag: hoe kunnen we leerlingen meer en dieper laten leren en beter gebruik maken van hun nieuwsgierigheid? We zijn begonnen met een klein groepje docenten die met het nieuwe concept aan de slag wilden, ondertussen zijn dat er veertig. Het schoolgebouw is hierop aangepast. We hebben grote, lichte lokalen met eilanden waar leerlingen in groepjes werken. In de meeste ruimtes is er geen centrale, vaste plek meer voor de docent. Die is immers minder bezig met klassikale instructie en meer met het coachen en uitdagen van individuele of groepjes leerlingen. Ict speelt een belangrijke rol: alle leerlingen hebben een laptop, een Chromebook, waarmee ze op hun eigen niveau, in hun eigen tempo kunnen werken.’ Aalto-Laaksonen is zichtbaar onder de indruk, ook van het gebouw. ‘Veel daglicht, de ruimte... de fysieke inrichting van de school bepaalt in hoge mate hoe het onderwijs wordt verzorgd en door de leerlingen wordt ervaren.’ Pijpers lacht bevestigend: ‘Een leerlingen zei me laatst: dit is geen school, dit is een leeromgeving.’

Zelfevaluatie
Innoveren en werken aan de kwaliteit van het onderwijs is in Tampere dé grote uitdaging. ‘We hebben sinds twintig jaar geen inspectie meer. Dat willen we graag zo houden. We willen zelf bepalen hoe we ons onderwijs verbeteren. Maar daarvoor missen we nog een systematische, structurele aanpak. Ik hoop dat we een vorm van zelfevaluatie kunnen vinden die ons verder brengt. Ook hoop ik dat we stappen kunnen maken op het gebied van de didactische inzet van ict. Er wordt binnen onze school wel gebruik gemaakt van iPads, maar dat komt toch vooral neer op het lezen van ebooks en het doen van testen. Een enkele docent is bezig met het maken van instructievideo’s. Ik ben benieuwd naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld hoe je games kunt inzetten en ict kunt inzetten in projecten.’ Daar kan Kristi Jauregi, een van de lectoren bij FLOT, wel iets over vertellen. Ze belichtte het feit dat leerlingen in toenemende mate, ‘global citizens’ zijn. Dat kun je verzilveren door ze via online samen leren (telecollaboration) bij elkaar te brengen, bijvoorbeeld in virtuele taaldorpen.

Internationale samenwerking
Ook leraren kijken steeds vaker over de grenzen. Lerarenopleider en mastercoördinator Linda Gijsen vertelde over het onderzoek waaraan ze werkt: het ontwerpen van vakdidactische opdrachten met lerarenopleiders in het buitenland. Dit draagt tevens bij aan het besef van multiculturaliteit. Ook sluit het aan bij het idee dat docenten cultuurdragers en cultuuroverdragers zouden moeten zijn en dat de lerarenopleiding daar invulling aan moet geven. Het bezoek aan Tilburg heeft veel inspiratie opgeleverd, besluit Aalto-Laaksonen: ‘Maar we zijn er nog niet. Van hieruit zouden we meer de internationale samenwerking moeten zoeken, meer met elkaar in gesprek gaan vanuit een gemeenschappelijk begrippenkader. Deze week is daarvoor de basis gelegd.’

Het werkbezoek van Arja Aalto-Laaksonen aan Tilburg werd georganiseerd door Jacintha Melenhorst, voorzitter mastercoördinatoren en teamleider talen van de Fontys Lerarenopleiding Tilburg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen