21 mei 2015

Overvloed, schaarste en waarde: the thrill is gone


In de jaren tachtig was het mijn ultieme uitje: een paar uren vertoeven in platenzaken Tommy (Tilburg) of Bullit (Eindhoven). De twintig gulden in mijn portemonnee moesten zo goed mogelijk besteed worden. Dus luisterde ik vele albums, zocht mooie combinaties van aanbiedingen (waarbij wel het hele bedrag op moest) en bladerde ook nog even door de bak met tweedehands platen. De uiteindelijke aankopen koesterde ik liefdevol, ik draaide de platen van voren naar achteren, kant A en kant B en probeerde bij elke herbeluistering andere details te ontdekken. Een bijzondere lijn in de backing vocals, een instrument in de mix dat me nog niet eerder was opgevallen.

2015. Ik heb een Spotify-account en kan nu alles wat ik wil horen in drie tellen naar de luidsprekers sturen. Iedere tip van iedere vage Facebook-bekende. Ineens het volledige oeuvre van een pas ontdekte artiest. Vijftig verschillende covers van dat lied dat ik zo mooi vind. Fantastisch! Maar ook: niet zo fantastisch. Want ik mis de magie van het schaarse. Voordat ik honger heb, wordt mijn lekkere trek met een paar klikken uitgewist. Een heel album luisteren, ik doe het nauwelijks nog. Dat mindere nummer wis ik uit de playlist die ik van de plaat heb gemaakt. Ik faal voor de marshmallow-test van het muziek luisteren. Er is ook zoveel. Ik denk: de tijd dat ik naar dit lied luister, gaat ten koste van de tijd die ik aan een misschien nog mooier nummer zou kunnen besteden. Ondertussen zucht ik - met de stem Chet Baker in gedachten - 'The thrill is gone'.


Genoeg zelfbeklag. Wat kan ik doen? Wat ik al af en toe doe: me eens een week of twee, drie concentreren op het luisteren naar één artiest of band. Echt even wat vaker luisteren naar eenzelfde nummer, hele albums afspelen. Maar verder kom ik niet. Dus blijf ik toch een beetje hongeren naar 'the thrill' van toen. Any suggestions?

20 mei 2015

Toeterverbod rond scholen voor betere prestaties

Leerlingen presteren beter als we alles dat voor afleiding zorgt verbieden of weren uit de school.

Dus hopla, posters, poppetjes, planten en andere visuele prikkels naar de prullenbak. Weg met die veel te mooie meisjes (ik spreek uit ervaring) en dito jongens. Schotten op de tafeltjes kan ook. Leerlingen met een kriebelhoest moeten maar thuisblijven. Trek de stekkers uit beamers met luidruchtige ventilatoren, vervang knipperende TL-lampen voordat ze gaan knipperen. Terug naar de monochrome beeldschermen. Aanpakken, die leraren met een tic, een snottebel die meedeint met het in- en uitademen of sandalen met rinkelende gespen. Blindeer de ramen als er sneeuw of onweer verwacht wordt. Of gewoon altijd. We nemen geen risico. Regel een omrijdroute voor de hulpdiensten en een toeterverbod binnen een straal van 200 meter om de school. Verbied pennen met drukknopjes en clipjes, etuis met ritsen en schriften met uitscheurbare vellen papier. Och ja, de smartphone natuurlijk, die moet in het kluisje.

Zo. Nu kan er geleerd worden. En worden onze leerlingen optimaal voorbereid op het echte, moderne, altijd rustige leven.

De serieuze analyse van het wetenschappelijke nieuws over de positieve effecten van het verbieden van mobieltjes was al erg goed gedaan door Wilfred Rubens...

Fysiotherapie saai? Maak er een spel van!


Als kind brak Cosmin Mihaiu zijn arm. Hij kreeg fysiotherapie-oefeningen om zijn arm weer in goede vorm te krijgen. Onder begeleiding van de therapeut ging dat prima, maar toen hij thuis de oefeningen zelfstandig moest doen, sloeg al snel de verveling toe. Bovendien was het oefenen pijnlijk. Mihaiu deed de oefeningen minder en minder, met als gevolg dat het herstel onnodig lang duurde.

In een pas verschenen TED-talk vertelt hij hoe hij op het idee kwam de saaie, repetitieve oefeningen te verpakken in een game. Hij ontwikkelde hiervoor met zijn team software die input leest uit de bewegingssensor van de Microsoft Kinect for XBOX 360 Sensor. In de talk demonstreert hij hoe zijn bewegingen worden gebruikt om een spel aan te sturen. Oefenen met games werkt motiverend: het is leuker, wordt als minder repetitief ervaren, je wordt beloond, bijvoorbeeld met punten en krijgt continu feedback over je progressie. Die voortgangsinformatie wordt opgeslagen en is ook beschikbaar voor de fysiotherapeut.

Lees meer op de website van MIRA, het bedrijf van Cosmin Mihaiu.

Games worden steeds vaker in de gezondheidszorg toegepast. In het boek 'It's all in the games', dat ik samen met verslavingsdeskundige Herm Kisjes schreef, vind je een hoofdstuk over dit onderwerp. Op dit moment is het boek alleen als ePUB beschikbaar.

Tip: op 2 juni verzorg ik met de mensen van het Fun-Ie-Fit-centrum in Almelo twee dagdelen over games, gamification en bewegen voor het onderwijs. Klik hier voor meer informatie.

15 april 2015

Inspiratiedag 'Programmeren in de klas'


Ben je leerkracht in de midden- of bovenbouw van het (speciaal) basisonderwijs? Vind je het belangrijk dat programmeren, ict, technologie een plek krijgt op je school? Ben je al bezig met een oriëntatie hierop? Heb je al eens een les of project gedaan, maar wil je verder? Dan nodig ik je graag uit voor de inspiratiedag 'Programmeren in de klas' op 20 mei 2015 in Middelbeers.

Tijdens deze praktische inspiratiedag ben je samen met de andere deelnemers actief bezig met het uitproberen van diverse producten, zoals Kano, Ozobot en Lego Mindstorms. Er is volop ruimte voor het delen van ervaringen en ideeën en we gaan in gesprek over hoe je handen en voeten kunt geven aan het thema programmeren binnen je school.

Na de lunch is er een wandeling in de prachtige omgeving van Middelbeers. Beweging is immers goed voor het brein! Omdat we met een kleine groep van maximaal 8 deelnemers werken is er veel ruimte om gedurende de dag aandacht te hebben voor je vragen en wensen.

Voor het volledige programma, informatie over kosten en inschrijving, klik hier.

14 april 2015

Ozobot: robotje met hoge aaibaarheidsfactor


De afgelopen dagen heb ik de Ozobot getest, onder andere met twee groepen kinderen: de meisjes van de naschoolse techniekclub in Eindhoven die ik de afgelopen weken mee heb helpen opstarten (groep 7, 8) en de jongens van Beers' Hackwerk, mijn eigen ict-club (11-16 jaar).
De Ozobot is een guitig ‘lijn volgend’ robotje in de vorm van een helm, dat zich kan voortbewegen door middel van twee wieltjes. Het robotje beschikt over lichtsensoren die vier kleuren kunnen herkennen: zwart, rood, groen en blauw. Doordat een Ozobot het verschil ‘ziet’ tussen wit en zwart kan het een zwarte lijn volgen die je tekent, plakt of print op wit papier. De lijnen moeten zo’n 5 mm dik zijn. 

Kleurcodes
Door kleurcodes op te nemen in de zwarte lijn kun je de Ozobot onderweg opdrachten geven. Blauw-rood-blauw betekent bijvoorbeeld: keer om! Alle lijnen samen (het parcours) vormen een soort computerprogramma voor de robot.
Je lijn zelf mag ook in een van de drie andere kleuren zijn. Zodra de Ozobot over een rode lijn gaat, gaat zijn lampje rood branden. Zo kun je controleren of hij de kleuren goed herkent. Doet hij dat niet, dan moet je hem even kalibreren op het meegeleverde kaartje met de zwarte stip.

Wedstrijd
De twee bijeenkomsten heb ik in een wedstrijdvorm gegoten (wedstrijdformulier), zonder veel nadruk te leggen op het competitieve. De teams mochten bij elkaar afkijken en ervaringen uitwisselen. De kinderen vonden het leuk om de grenzen op te zoeken van wat de Ozobot kan. Er werden slingerende paden met scherpe bochten gemaakt en zelfs een looping, die natuurlijk niet werkte ('maar dat wist ik wel hoor'). 

Frustratie
Er was telkens veel enthousiasme als het lukte het robotje een opdracht succesvol te laten uitvoeren. In het begin tekenden en plakten de kinderen echte vaak te slordig: te dikke of dunne lijnen, te veel lijm onder een papierstrookje, zodat de Ozobot vastliep. En de meegebrachte blauwe marker bleek te donkerblauw: te weinig contrast met zwart. Het komt allemaal best precies.
Enerzijds hoort een beetje frustratie erbij, anderzijds denk ik dat het goed is eerst ter kennismaking een snel-scoren-opdrachtje te geven en daarna pas een wat lastigere uitdaging. Ook heb ik een A4'tje gemaakt met 'code clips', strookjes met kleurencodes in precies het juiste formaat om uit te knippen en op een zwarte lijn te plakken. Download hier. In de tweede groep werd hier gretig gebruik van gemaakt.

Apps
Er zijn ook apps beschikbaar om de Ozobot op het scherm van een telefoon of tablet te laten werken. Hiermee ben ik nog niet bezig geweest: ik vond het idee om eens iets rond computertechnologie te doen, zonder de gangbare devices in de buurt interessant.

Bee-Bot
De Ozobot doet qua filosofie wel wat denken aan de Bee-Bot: geen device, wieltjes en programmeren zonder 'code te kloppen'. En: de toepassingsmogelijkheden zijn enorm, maar hangen af van de creativiteit van de gebruiker. De Bee-Bot is geschikt voor kinderen in de onderbouw van de basisschool, de Ozobot is eerder voor de midden- en bovenbouw.

Magazijn-spel
Voor een volgende activiteit wil ik voor de Ozobot een 'vork' knutselen, zodat hij lichte voorwerpen vooruit kan duwen. Het parcours moet dan een Sokoban-achtig spel worden, een magazijn waarbij je van tevoren moet bedenken hoe en in welke volgorde de robot de voorwerpen moet verplaatsen om ze op de beoogde plek te krijgen.

De Ozobot is te bestellen bij Amazon. Een setje van 2 stuks kost net geen honderd dollar. De Canadese makers leveren niet zelf aan Nederland.

13 april 2015

Populairste verhalen op Blendle

Het publiceren van artikelen via TPO Magazine op Blendle is voor mij een project om te ontdekken hoe deze nieuwe vorm van een boterham verdienen aan journalistiek werkt.

Elk kwartaal ontvang ik een overzicht van hoe vaak lezers een los artikel van me hebben gekocht. Een paar conclusies uit het overzicht van de afgelopen drie maanden...
  • De omzet ten opzichte van vorig kwartaal is met ruim 200% gestegen. Dat is mooi, maar van een vergoeding die vergelijkbaar is met wat een tijdschrift betaalt voor een bijdrage is nog zeker geen sprake. 
  • De omzetstijging is deels te danken aan een groeiend aantal betalende Blendle-gebruikers, deels aan de prijs per artikel die onlangs iets verhoogd is en deels aan het feit dat artikelen uit eerdere kwartalen - dat worden er uiteraard steeds meer - nog een beetje renderen. Zoals mijn eerste verhaal op Blendle, een interview met Jef Staes, driekwart jaar oud, maar toch nog 2 (!) keer gelezen.
  • Als journalist krijgen we niets vergoed voor artikelen die betaald zijn uit het gratis leestegoed van € 2,50 dat je cadeau krijgt bij een nieuw account. Zo kan het zijn dat een artikel voor 65% met gratis geld 'gekocht' is. Het gaat om nieuwe accounts, maar de vraag is, hoeveel van deze gebruikers blijvend actief zullen zijn met lezen via Blendle.
  • Ook als lezers niet tevreden zijn over het verhaal en hun geld terugvragen, verdien je niets. Dat geld terugvragen gebeurt zo tussen de 2 en 20% van de gevallen. Bij mijn meest gelezen stuk ligt het op net geen 15%. Deels ontevreden lezers, deels lezers die structureel hun geld terugvragen. 
  • Mijn artikelen over onderwijs lijken het minder goed te doen dan mijn human interest-interviews en de stukken waarin ik praktische adviezen geef over sociale media. Dit is naar verwachting. Blendle wordt veel gebruikt door een publiek van wat we vroeger 'yuppen' noemden. Regelmatig vraag ik in mijn workshops en trainingen in het onderwijs of deelnemers Blendle kennen of een account hebben. De bekendheid is nog klein, slechts een enkele keer zegt iemand een account te hebben. Dat zijn dan vaak docenten Nederlands, die Blendle ook gebruiken als bron voor teksten die in de klas behandeld kunnen worden.
  • Het meest succesvolle verhaal is 'Help! Hoe ontsnap ik aan mijn smartphone?', een persoonlijk getinte column.
Ik probeer te leren door te doen, te experimenteren. Een belangrijke 'lesson learned' is om nóg scherpere koppen te maken en beknopte intro's die goed samenvatten waar de tekst over gaat, maar ook prikkelen om verder te lezen.

08 april 2015

Een nieuw woord: delenswaardig

Het begrip 'delenswaardig' geeft op het moment van schrijven 379 hits op Google. Daarmee bestaat het nog niet echt. Het is nog niet Van Dale-waardig, zeg maar.

Vreemd eigenlijk dat er nog geen woord is dat beschrijft dat een gebeurtenis, idee of bron de moeite van het delen waard is. Terwijl die vraag - 'Doe ik er goed aan dit te delen?' - met alle sociale media binnen handbereik toch regelmatig onze gedachten passeert.

Ik vond het delenswaardig dit met je te delen. Hiermee is de 380e hit op Google een feit. Een stapje dichterbij een vermelding in de woordenboeken en -lijsten.

07 april 2015

De Raspberry Pi als computer in de klas?

Computerwerkplekken voor in de klas zijn vaak erg kostbaar. Bovendien zijn ze vaak voorzien van netwerksoftware. Handig voor het beheer en toegang tot pakketten met licenties, maar die software geeft ook beperkingen. Zo kun je er meestal niet zomaar een programma installeren, dat je zelf nuttig vindt. Daarnaast hebben computers die in een netwerk hangen soms een lange opstarttijd en starten ze uitgebreide updates op momenten dat het eigenlijk niet uitkomt.

Sinds een paar weken heb ik een Raspberry Pi in huis. Het nieuwste model is een redelijk vlot computertje op creditcard-formaat dat draait op open source, dus gratis te gebruiken, besturingssoftware. Je kunt met een Raspberry Pi het internet bezoeken, met Open Office of Libre Office werken, programmeren, muziek bewerken... eigenlijk alles wat op een gewone computer ook kan, zo lang je maar gebruik maakt van niet al te zware pakketten die draaien op het besturingssysteem Linux.

De Raspberry Pi is een spotgoedkoop dingetje. Het kost je zo'n 35 euro. Vervolgens heb je nog wel de nodige randapparatuur nodig, zoals:
  • een toetsenbord en muis
  • een mini-SD-card voor de besturingssoftware, programma's en gegevensopslag (al doe je dat bij voorkeur in the cloud)
  • een WiFi-dongle of een vaste netwerkkabel om op het internet te kunnen
  • een speakersetje of hoofdtelefoon
  • een beeldscherm waar je een HDMI-kabel in kunt steken (en die kabel zelf natuurlijk)
Doordat je met losse componenten werkt zijn deze gemakkelijk te vervangen als ze stuk gaan. Andersom: als een oude PC wordt afgedankt, kun je de randapparatuur nog gebruiken voor de Raspberry. Met een vragenrondje onder ouders heb je misschien zomaar een hele stapel geschikte spullen voor nop.
Tip: laat kinderen bij de lessen handvaardigheid zelf een beschermend kastje maken voor de Raspberry Pi.
Er zijn ook leuke, handige setjes verkrijgbaar, zoals de Kano en de Bendoo Box, die een Raspberry Pi combineren met randapparatuur (behalve het beeldscherm) en lesmateriaal. Voor de Kano is er zelfs een compleet pakket besturingssoftware, speciaal voor kinderen en bedoeld om mee te leren programmeren. Dit pakket is ook gratis te downloaden voor wie zelf een computer wil samenstellen.

Een Raspberry Pi kan een handige aanvulling zijn op het bestaande park van computers op school:
  • Er is veel gratis software voor. Het vergt enige kennis om die te installeren, maar die opdoen is ook leren.
  • Het enige beheer: als hij het niet meer doet, installeer je de besturingssoftware opnieuw op het SD-kaartje.
  • Je kunt werken met een eigen SD-kaartje per leerling (op de Raspberry Pi zelf staat niets, alles staat op dat kaartje).
  • Het internet staat vol met tutorials, lesideeën, toepassingsideeën en oplossingen voor elk denkbaar probleem.
  • Als 'stand alone' computer biedt de Raspberry Pi ruimte om te experimenteren zonder schade aan te brengen. Een veilige playground!
Wat denk jij? Is de Raspberry Pi een waardevolle toevoeging aan het ict-pakket op je school?

Deze blog heb ik geschreven naar aanleiding van het denken over slimmer inzetten van middelen op basisscholen. Ik schreef hierover een column voor PO Management. Heb je zelf een slim besparingsidee, deel het via dit formulier.

Er zijn veel varianten op de Raspberry Pi van andere merken. Vuistregel: hoe duurder, hoe meer ze kunnen.

10 maart 2015

Snoeischaar



Waar is de snoeischaar? Bij de eerste lentedag van het jaar ga ik de tuin in om hem winterklaar te maken. Omdat dat ik daar in de herfst niet aan toegekomen was, zoals elk jaar. Het is een zootje. Maar waar is de snoeischaar? Als ik op alle vanzelfsprekende en enkele tegen-beter-weten-in plekken heb gekeken, geef ik het op. Dan maar een nieuwe. Met tegenzin over tijd- en geldverlies reken ik af.

Twee dagen later trek ik de keukenla open. Op zoek naar iets anders. Wat, dat ben ik alweer vergeten, maar verdomd: daar ligt ineens de snoeischaar! Nu hebben we er twee. Niet onbelangrijk detail: die lade gaat dagelijks zo'n vijf tot tien keer open om sleutels, oude post, wisselgeld en papieren zakdoekjes te pakken. Genoeg gelegenheid om het beeld van een snoeischaar een keer wat verder naar binnen te sturen dan mijn netvlies, zou je zeggen.

Zoeken is een vreemd fenomeen. Ik heb het ook met namen. Kom ik een bekend gezicht tegen - gezichten vergeet ik nooit - kan ik niet op de bijbehorende naam komen. Hoe harder ik tussen mijn oren google, hoe zinlozer het voelt. Via een laffe omleiding in de conversatie red ik mijn reputatie. Ik sus mijn geweten: het bekende gezicht heeft niets gemerkt van mijn blinde paniek. Een uurtje later, andere situatie, andere focus. Ondertussen volstrekt nutteloos dringt het bekende gezicht, nu met naam en toenaam, mijn gedachten binnen.

Wie zichzelf een zoekopdracht geeft en zichzelf daarnaa het loslaten gunt, zal vinden. Dat is me ondertussen wel duidelijk. In de wetenschap van de creativiteit heet het incubatietijd: laat een vraag in je achterhoofd sudderen, slaap er een nachtje over, laat je afleiden door kilometers snelweg of liters douchewater en je krijgt de mooiste oplossingen zomaar cadeau. Daar kan ik mee leven, ik ben best een geduldig mens. Maar loslaten op het moment dat na een lange periode van uitzichtloze grijsheid de zon weer schijnt of dat je dat bekende gezicht wilt zien glimlachen omdat je zijn/haar naam nog kent... ik heb het nog niet in de vingers. Wat ik wel in de vingers heb, zijn twee snoeischaren. Ik lijk - neem hier een paar uur pauze - Edward Scissorhands - wel.

01 maart 2015

Studeren met PDD-NOS: ‘Ik wil weten wat ik op eigen kracht kan’

Op school kreeg hij te horen dat het halen van een havo-diploma met zijn PDD-NOS een onhaalbare kaart zou zijn. Wick Gloudemans (21) gaf zijn begeleiders ongelijk. Met slechts een overgangsbewijs van havo-3 naar havo-4 op zak, drie maanden intensieve zelfstudie en een dik pak motivatie, haalde hij zijn diploma. Na een afmattende, maar leerzame periode, studeert hij nu aan de kunstacademie.

Ik interviewde Wick voor TPO Magazine. Het artikel is - betaald - te lezen via Blendle

Uit het interview: "Ik heb geaccepteerd dat alles wat ik doe drie keer zoveel energie kost dan voor iemand anders. Alles is een worsteling. Het blijft zoeken naar wat ik nodig heb om mezelf te ontwikkelen. Ik wil mijn grenzen opzoeken en verleggen, dichter bij mezelf komen. Ja, ik slik Ritalin, maar probeer dat steeds verder te beperken omdat het een sluier legt over wie ik echt ben."