15 mei 2016

Supertalenten... mis ze niet!

Op je 18e een Grand Prix-wedstrijd winnen. Voor je twintigste beginnen aan je grote droom het plastic in de oceaan op te ruimen. Of een methode ontwikkelen om beter en goedkoper alvleesklierkanker op te sporen. Max Verstappen, Boyan Slat, Jack Andraka: het zijn hedendaagse supertalenten.

Ze hebben een enorme 'drive', willen er keihard voor werken. Maar ze hadden en hebben ook mogelijkheden die eerdere generaties niet hadden. Die mogelijkheden zijn gebaseerd op drie ontwikkelingen. Jonge mensen hebben meer dan ooit toegang tot:

  1. kennis (internet)
  2. gereedschappen (simulaties, devices) 
  3. netwerken (sociale media)
Niet ieder kind wordt een Verstappen, Slat of Andraka. Maar als je een beetje oplet, zie je hoe veel kinderen dagelijks hun - ook alledaagse - talenten ontwikkelen en hun nieuwsgierigheid voeden. Ze spreken opvallend goed Engels, kunnen websites bouwen, oefenen dans of gitaar aan de hand van YouTube-filmpjes, leren zo koken en bakken, weten alles over fossielen, hondenrassen, survival, lezen stapels boeken of spelen complexe games.

Vrije toegang tot kennis, gereedschappen en netwerken, 24 uur per dag, 7 dagen per week, zorgt ervoor dat de verschillen in kennis en vaardigheden tussen kinderen groter en groter wordt. Dan komen ze op school. Waar de les Engels voor iedereen begint met hoofdstuk 1. Waar nergens wordt aangehaakt op dat talent voor koken en bakken. Waar voor je nieuwsgierigheid even geen tijd is.

We mogen al die supertalenten niet missen. En nee, het gaat er niet om op school alleen maar beter te worden waar je al goed in bent. Wel om gezien te worden in wie je al bent, met oog voor waar jouw nieuwsgierigheid zit, anders mogen zijn...

Lees ook het artikel van Maarten Keulemans in de Volkskrant over 'superslimme kinderen'.

11 mei 2016

‘Diploma is bewijs van incompetentie’ (interview uit 2014)

In 2014 verbrandde de Vlaamse spreker en auteur Jef Staes met veel gevoel voor drama zijn diploma. Enkele maanden later interviewde ik hem over de ideeën achter deze symbolische handeling. ‘We moeten ons leren volledig anders gaan organiseren. Talent, passie en informatie zijn daartoe de sleutels.’

Op het podium, als “public speaker” manifesteert Staes zich als een zendeling. In verschillende “talks” op YouTube is hij te zien als een gedreven redenaar. Hij schuwt de grote metaforen niet om zijn boodschap kracht bij te zetten, laat zelfs af en toe een sardonische lach horen.

In de landelijk gelegen abdij van Tongerlo, waar hij kantoor houdt, ontmoet ik echter een heel andere Staes. Met een aimabele glimlach vertelt hij over zijn ideeën en maakt hij me deelgenoot van zijn zoektocht naar antwoorden op de grote vragen die de snel veranderende wereld stelt. ‘We gaan van een 2D- naar een 3D-wereld. De boekdrukkunst heeft plaatsgemaakt voor het internet. Alles wordt anders. Vooral de manier waarop we leren.’

En het diploma hoort daar niet meer bij?
‘Nee. Een diploma laat zien dat je geslaagd bent in een pakket van vakken. Je hebt waarschijnlijk het hardst moeten studeren op de vakken die je niet graag doet, omdat je er geen talent voor hebt. En omdat je met die vakken niets hebt, heb je kennis domweg uit je hoofd geleerd. Veel van die kennis zal wegzakken, omdat je er niets mee doet. Sommige feiten zal je op elk moment nog voor de dag kunt halen. Maar hoe belangrijk is dat in een tijd waarin alle kennis ook met een muisklik beschikbaar is? Voor de vakken waar je wel talent voor hebt, heb je juist veel te weinig gedaan, lang niet het onderste uit de kan gehaald. Weggegooid talent! Een diploma is verder een momentopname. Het zegt niets over hoe je je bent blijven ontwikkelen. Je kunt een loopbaan inmiddels niet meer baseren op gestolde informatie. Omdat in ieder vakgebied de kennis zich momenteel enorm snel ontwikkelt, gaat je diploma steeds sneller over verouderde kennis.’

Maar wilt u dan geopereerd worden door een chirurg zonder diploma?
‘De vraag moet zijn: wat is op dit moment de best denkbare manier om geopereerd te worden? Een tandarts mag dan gediplomeerd zijn, als hij de ontwikkelingen niet kan volgen, kan hij mij niet op de best denkbare manier behandelen. Deze tandarts wordt ingehaald door de tandtechnicus die de vinger aan de pols heeft van de ontwikkelingen in zijn vakgebied. Daar is innovatie aan de orde van de dag: 3D-printen van protheses, nieuwe boortechnieken… Het verandert de verhoudingen op de beroepenmarkt. Nu is de tandarts nog opdrachtgever voor de tandtechnicus. Straks is dat andersom. Uiteraard wil ik behandeld worden door een professional van wie ik bewijzen kan zien dat hij bekwaam is. Maar een ooit behaald diploma geeft die garantie niet.’

Zonder diploma zijn je kansen op de arbeidsmarkt klein.
‘Nog wel. Maar dat gaat veranderen. Bedrijven kapen nu al talentvolle studenten weg bij de opleidingen voordat ze afgestudeerd zijn. Als dat gemeengoed wordt, zijn straks de mensen met een diploma de klos. Zij hadden kennelijk zo weinig talent, dat ze hun opleiding af moesten maken. Het diploma wordt daarmee een bewijs van incompetentie. Maar het werkt ook andersom. De kans is groot dat de beste denkbare tandarts geen tandarts is geworden, omdat hij vroeger gezakt is op wiskunde of geschiedenis. Het systeem maakt zo dat er waardevol talent verloren gaat. Met alle uitdagingen waar we voor staan – economie, duurzaamheid, verdraagzaamheid – kunnen we ons dat niet veroorloven.’

Het onderwijs is toch niet blind voor deze ontwikkelingen?
‘Toch wel. Scholen ontlenen hun bestaansrecht nog altijd aan de beperkte kennis van enkele mensen. Het systeem geeft die mensen macht, ontleend aan het diploma dat ze ooit gehaald hebben. Ze zitten gebeiteld in een baan waarin ze leerlingen volgens hetzelfde systeem als waarin ze zelf zijn opgegroeid aan een diploma helpen. Die macht wil men niet kwijt. Het systeem houdt zichzelf ook in stand doordat het mensen gevangen zet. Je kunt als chirurg na vijf jaar snijden niet zo maar zeggen: ik doe dit niet graag, ik word een bruggenbouwer. Er zijn nogal wat mensen die doen wat ze niet graag doen. Ook in het onderwijs. Stel dat zo iemand je leraar is. En wat doet het onderwijssysteem ondertussen? Het schiet in de kramp, schroeft de eisen nog verder op, gaat nog meer meten op de verkeerde parameters. Het onderwijs probeert te overleven door nog beter te doen van wat in het perspectief van het huidige tijdperk fout is. Het is een investering in valuta die steeds verder devalueert en straks helemaal niets meer waard is. Onderwijs is zichzelf aan het vernietigen.’

Waar moet het dan naartoe?
‘We komen aan in tijdperk van versnelde evolutie. Alles is agile geworden: we gaan van doen op basis van uitgedokterde plannen naar ontwikkelen in actie. Ik noem dat 3D. Technologie maakt dat we van schaarste aan informatie naar overvloed aan informatie gaan. Via internet kan ik kennis opdoen, kennis delen. Iedereen kan alles van mij zien en lezen, erop reageren, er iets aan toevoegen dat ook weer door iedereen gezien kan worden. Als je een talent hebt voor een onderwerp of vaardigheid staat je niets meer in de weg om je er in te ontwikkelen, te specialiseren.’


‘In het 2D-tijdperk konden we tulpen weinig water geven. Daardoor zag je het verschil niet tussen de ene en de andere tulp. Maar nu, in het 3D-tijdperk, is er water in overvloed. Elke tulp kan zich optimaal ontwikkelen. Informatie is een grondstof die je laat groeien. Met al die beschikbare informatie kunnen we als individu nu pas echt worden wie we zijn. Dat is toch prachtig!’

‘We hebben allemaal onze unieke talenten. Die diversiteit geeft ons de sleutel tot de oplossing voor alle problemen waar we op dit moment met de mensheid voor staan. Problemen die ontstaan zijn in het 2D-tijdperk, zoals de opwarming van de aarde. De grote talenten en de uitwisseling tussen grote talenten heeft de mensheid nieuwe kennis opgeleverd. Pas als we talent tot bloei laten komen, zullen we als mensheid de grote stappen kunnen nemen die nodig zijn. Naast een talent en toegang tot informatie heb je dan nog maar twee dingen nodig: de competentie om te leren én de passie om dat te blijven doen.’

Een groot woord: passie.
‘Een taalkundige vertelde me dat passie meer betekent dan alleen 'houden van'. Passie betekent ook dat je wilt afzien. Iemand die passie heeft voor piano spelen of voetballen wil keihard werken om elke dag beter te worden. We hebben mensen nodig die passie voor evolutie hebben, die keihard willen werken om de snelle ontwikkelingen te blijven volgen. In relatie tot waar ze goed in zijn.’

‘Die passie zie ik niet in het onderwijs. Daar zie ik leraren die nog geen filmpje kunnen uploaden naar YouTube of die er niet aan moeten denken om te communiceren via Twitter met hun leerlingen. Zo'n leraar heeft geen talent om om te gaan met leerlingen en studenten die sneller willen en kunnen leren dan ooit tevoren. Ik heb het dan over tachtig procent van de leraren. Een leraar die zich niet wil verdiepen in sociale media, zit in de verkeerde baan. Het gevaarlijkst zijn echter de leraren die technologie op een 2D-manier inzetten. Die zeggen dat hun leerlingen alleen hún filmpjes mogen bekijken. Of die leerlingen vooral met technologie laten werken om nog beter te laten leren in waar ze niet goed in zijn.’

Terug naar de diploma's. Is er een alternatief?
‘Het gaat er in het 3D-tijdperk om dat je aan de buitenwereld continu laat zien waar je mee bezig bent, wat je uniek maakt. Ik noem dat een 'competence playlist'. Vergelijk het met de muziek die je op je smartphone hebt staan. Die vertelt wat op dit moment bij je past. Zo'n afspeellijst verandert continu. Een 'competence playlist' vertelt waarin je nú op je best bent, waar je talent voor hebt, hoe hard je werkt om beter te worden, ook via de interactie met anderen. Het is de kristallisatie van wie je nu bent. Hoe je deze afspeellijst vorm kunt geven, ben ik nog aan het onderzoeken. Denk aan een portfolio, maar dan een waarin ook je netwerk zichtbaar is, de vragen waar je mee worstelt, de ideeën die je aan het exploreren bent.’

En onderwijs moet daarvoor de basis leggen?
‘Ja. Ik ben nu een model aan het uitwerken, waarin onderwijs in drie fasen wordt opgebouwd. Het uitgangspunt: elke leerling moet hoogbegaafd worden in zijn talent. In de eerste fase maken kinderen zich de basis eigen die ze nodig hebben om überhaupt te kunnen leren. Maar daarnaast bied je ze alle denkbare ervaringen en onderwerpen aan, zodat ze kunnen ontdekken waar hun talent zit. Je geeft ze ook veel vrijheid. Dan gaan ze doen waar ze plezier in hebben, wat ze het gemakkelijkst afgaat, waar ze hard voor willen werken: daar zit hun talent. Je ziet dat ze in flow zijn als ze actief zijn met hun talent. Voor deze fase hebben we leraren nodig die scouts zijn en die hun netwerk inzetten om kinderen kennis te laten maken met wat de wereld te bieden heeft.’

‘In de tweede fase gaan ze leren vanuit hun talent in de hoogst mogelijke versnelling. De informatie is er. Kinderen zullen willen scoren op waar ze goed in zijn, dus er is ook intrinsieke motivatie. De leraar daagt de leerling continu uit een stapje meer te zetten. Voor deze fase hebben we leraren nodig die functioneren als een trainer en coach.’

‘Tenslotte gaat de leerling de derde fase in: veel eerder dan nu het geval is, ga je aan het werk. Denk aan een chirurg van 19 jaar. De leerling zet zijn talent in, leert in de praktijk. De leraar in deze fase is een meester, de leerling een gezel. We gaan terug naar de gildes, maar dan in 3D. Je laat zien dat je je 'competence playlist' onderhoudt, dat je je blijft ontwikkelen.’

Klinkt mooi, maar hoe komen we daar?
‘Onderwijs veranderen met consensus gaat niet. In de geschiedenis waren er oorlogen en andere crises nodig om de grote stappen te zetten over de kloof van de ene naar de andere situatie. Ik hoop dat we met alle kennis die we nu tot onze beschikking een meer intelligente transitie kunnen doormaken. Ik zou graag zien dat we snel op kleine schaal kunnen beginnen met deze nieuwe vorm van onderwijs. Niet met de leerlingen die het nu goed doen op school. Voor hen is er geen gevoel van urgentie. Zij hebben nog zicht op een diploma en zijn gemotiveerd door het idee van garantie op werk dat erbij hoort. Laten we aan de slag gaan met de drop outs. Zeker weten dat zij voor de nabije toekomst de beste zijn die er rondlopen.’

Wie is Jef Staes?
Staes komt uit een arbeidersgezin, Na een opleiding in de techniek studeerde hij door en werd ingenieur. ‘Die achtergrond heeft me tot systeemdenker gemaakt. Als er iets kapot gaat in een systeem, moet je niet het symptoom bestrijden, maar de oorzaak opsporen.” Toen Staes in de jaren tachtig verantwoordelijk werd voor de opleidingen in het bedrijf waarvoor hij werkzaam was, maakte hij kennis met de eerste experimentele digitale technologieën om leren te ondersteunen. ‘Denk aan computer based learning, video conferencing, instructievideo's on demand. Toen ik bij Siemens terecht kwam, kwamen daar de toepassingen bij die we nu forum, blog of wiki zouden noemen. We hadden alle technologie beschikbaar die je maar kon wensen, maar het gebruik viel erg tegen. Ik kwam tot het inzicht dat dit niets te maken had met technologie, maar met het managen van leren in organisaties. In dat thema heb ik me vastgebeten, vanaf 2002 als zelfstandig ondernemer.” 
Staes schrijft boeken, verzorgt trainingen en is een veelgevraagd spreker in binnen- en buitenland. Zie o.a. de TEDx-talk 'The Naked Sheep' (Engelstalig). Meer over zijn werk op www.jefstaes.be.

Dit artikel verscheen eerder op Blendle.nl.

28 april 2016

Het tegenovergestelde van piekeren

In maart 2011 verzorgde ik een gastles ‘denkkunde’ voor de plusklas voor hoogbegaafde kinderen op basisschool Het Palet in Den Bosch. Een van de opdrachten voor de leerlingen was het gezamenlijk maken van een mindmap met zoveel mogelijk verschillende soorten denken. Een van de leerlingen noteerde ‘piekeren’ op de mindmap, waarop een andere leerling vroeg: ‘Wat is het tegen-
overgestelde van piekeren?’ Ik - toch docent Nederlands - kon geen bevredigend antwoord geven, de leerlingen ook niet. We vonden het wel een leuke vraag. Ik stelde voor hem op Twitter te zetten, uiteraard met de hashtag ‘#durftevragen’.

Twintig minuten later hadden we een flink pak suggesties binnen: fantastiseren (Renate), intuïtief denken (Niels), vrijheid (Karin), pieken (David), endorfineren (Isodore), optimissen (Ruud), brainstormen (Peter), de hond uitlaten (Frans), zorgeloos zijn (Narda), mijmeren (Walter) en jezelf opbeuren (Christa). Die laatste suggestie vonden de leerlingen het beste. Ik vroeg dat toe te lichten, waarop ze aangaven: als je piekert heb je immers een probleem in je hoofd dat je met denken in stand houdt of erger maakt. Als je jezelf opbeurt probeer je het probleem ‘minder zwaar’ te denken.

Die middag werd me duidelijk dat het internet meer te bieden heeft dan vastgelegde informatie. Je kunt ook mensen, ook deskundigen, vragen mee te denken over een vraagstuk of daarvoor input te leveren en zo de buitenwereld actief betrekken bij je lessen.

(Uit mijn boek: Smihopedia. Aan de slag met sociale media in het onderwijs)

10 april 2016

Kennis of vaardigheden?

Meer nadruk op vaardigheden, minder op kennis. 

Het is de conclusie die je misschien trekt als je je verdiept in de 21e eeuwse vaardigheden of in het werk van het platform Ons Onderwijs 2032.

Kennis blijft belangrijk, aan alleen vaardigheden heb je niets. 

Het is de conclusie die je misschien trekt als je je verdiept in de kritiek op de 21e eeuwse vaardigheden of het werk van het platform Ons Onderwijs 2032.

Gevolg: een patstelling die ten koste gaat van een constructieve dialoog die wat mij betreft echt nodig is om verder te komen met de grote vraagstukken waar we voor staan en de bijdrage die we daaraan willen leveren in het onderwijs.

Om daarin verder te komen, moeten we andere perspectieven durven kiezen. Zoals Gert Biesta dat doet in tijdschrift HJK (1) van deze maand: "Is het eigenlijk wel mogelijk kennis en vaardigheden zo scherp van elkaar te scheiden? Is het immers niet zo dat om ergens vaardig in te kunnen worden we wel degelijk ook kennis nodig hebben?"

Wat helpt bij het vinden van andere perspectieven, is te bestuderen hoe in andere domeinen dan alleen onderwijs wordt gekeken naar kennis en vaardigheden. Zoals in de wereld van het managementdenken. Zestien jaar geleden schonk Mathieu Weggeman (2) ons al een prachtige formule om het begrip 'kennis' te beschrijven:

K = f(I * E V A)

Ofwel: kennis is het totaal van Informatie maal Ervaring, Vaardigheden en Attitude.

Vertaald naar het onderwijs: bied lerenden informatie aan in een context waarin ze ervaringen op kunnen doen, kunnen werken met en leren zich te verhouden tot die informatie.

Een ander perspectief is om de vraag te stellen wat je in het onderwijs kunt doen met verschillende soorten kennis. Voor feitenkennis hebben we daar een aardig beeld van, maar kunnen we ook meer doen met kennisvormen als 'tacit knowledge' of 'embodied cognition'?

Kortom, laten we niet blijven steken in een strijd tussen de gekunstelde dichtomie tussen kennis en vaardigheden. Laten we liever onze kennis (in de Weggemaniaanse betekenis) uitwisselen in een constructieve zoektocht naar onderwijs voor morgen.

(1) Biesta, G. (2016), (On)zin van 21e eeuwse vaardigheden. HJK, 43(8), 14-17.
(2) Weggeman, M. (2000), Kennismanagement; de praktijk. Schiedam: Scriptum

03 april 2016

Hoe ontwikkel je mediaveerkracht?

Deze blog eindigt met een vraag.

Momenteel verzorg ik een training over het begrip 'mediaveerkracht' voor een groep bibliotheekmedewerkers. Het begrip is heel bewust gekozen, in plaats van mediawijsheid.

Voor mij staat 'mediaveerkracht' voor 'weten wat je moet doen als je niet weet wat je moet doen' (naar Piaget).

Voorbeeld: je bent bezig met het invullen van een belangrijk formulier op het internet en ineens reageert de betreffende pagina nergens meer op. Wat doe je? Mediaveerkracht is misschien dat je accepteert dat de techniek je soms in de steek laat. Faeces geschieden. Wellicht stel je je browser hierna zo in, dat hij veel gevraagde formulier-entries onthoudt, zodat het niet zo erg is opnieuw te moeten beginnen. Of: een online toepassing doet het niet op Internet Explorer. Je kunt een bestand niet terugvinden op je computer. Je krijgt steeds een melding op je scherm, waarvan je niet weet wat je ermee moet doen.

Ik zie het veel om me heen, de bibliotheekmedewerkers krijgen er vaak mee te maken: mensen lopen vast met activiteiten op de tablet of computer en missen de 'mediaveerkracht' om het opgelost te krijgen. Ze raken gefrustreerd, gooien het liefst het bijltje er maar bij neer. Dat kan als er alternatieven zijn, maar steeds vaker kunnen handelingen alleen digitaal verricht worden.

Mijn 'mediaveerkracht' is gebaseerd op inductie vanuit jarenlange ervaring. Als iets niet meer werkt, zet ik de computer uit en start hem opnieuw op. Ik type in Google precies in wat er fout gaat of wat ik niet begrijp en hoop dat een ander hetzelfde heeft meegemaakt, dat in een forum heeft opgeschreven en een stapel nuttige antwoorden heeft gekregen van anderen. Ik check of er een uitlegfilmpje op YouTube staat. Als ik een vraag heb, stel ik die. In een tweet met de hashtag #durftevragen. Of in een blog als deze. Ik had dat al aangekondigd. Komt-ie...

Hoe help je mensen met relatief weinig ervaring met het gebruik van media meer veerkracht te ontwikkelen, zonder dat ze hetzelfde lange traject van vallen en opstaan moeten afleggen.

Suggesties zijn welkom in een 'comment' op deze blog.

10 maart 2016

Help, ik ga naar de knoppen!


De snooze-knop, nog een keer de snooze-knop, en dan de uit-knop van mijn wekker.
De knop van de lamp. Aan, uit, nog een lamp en nog een.
De knop van de douche, van de kraan boven de wastafel, van mijn elektrische tandenborstel.
De knop van de waterkoker, de knop van de magnetron om wat sneetjes brood te ontdooien.
De knop om het toilet door te spoelen.

De knop waarmee ik mijn auto start. Een sleutel, da's ouderwets.
Ik zet de radio aan met een knop, kies met een andere een zender, draai aan de knop voor het volume.

Op het werk. Ik druk op de knop om mijn computer op te starten.
Dan volgen de knoppen van mijn muis en toetsenbord. Het knopje van mijn pen.
Tussendoor een online bestelling, betalen met kaart en machientje met knoppen voor mijn pincode.
De virtuele knoppen op mijn telefoonscherm en mijn tablet. En van de kopieermachine.
Een knop voor een kop koffie. En nog een.

Einde van de middag: een supermarkt met zelfscan-kassa. Ik druk op de knop van de scanner. En op de knoppen van de pinautomaat.

Begin van de avond: de knoppen van het fornuis, de mixer, wat later: de vaatwasser.

Dan de knop van de televisie. En de afstandsbediening, zappend met nog meer knopjes. 
De uit-knop, de knoppen van mijn e-reader.

Help, ik ga naar de knoppen! Raak ik ooit uitgedrukt? De knop moet nu echt om.

Maar eerst met wat knoppen de wekker zetten. Morgen weer vroeg op.

Zelfregissering in een multimediale wereld

Zelfsturing is een item in het nieuwe model van 21e eeuwse vaardigheden dat Kennisnet en SLO begin februari publiceerden. Op 9 maart was dit onderwerp thema van een expertmeeting bij SLO in Utrecht. Een van de vragen die aan bod kwam was hoe met name digitale media zelfsturing positief danwel negatief beïnvloeden.

Oververmoeid
Vanuit scholen krijg ik regelmatig signalen van dat laatste: leerlingen die oververmoeid in de schoolbanken zitten omdat ze tot laat in de avond met hun games bezig zijn geweest, klachten over versnipperde aandacht en korte spanningsbogen, signalen dat leerlingen moeilijk tot geconcentreerd werken komen. Maar ik spreek ook jongeren die heel bewust omgaan met hun smartphones door bijvoorbeeld in te stellen dat ze niet van elk bericht een alert krijgen of die apps gebruiken om ze te helpen bij het halen van hun doelen.

Niet nieuw
Zelfsturing is het jezelf kunnen controleren, observeren en beoordelen, om van daaruit je gedrag aan te passen (te reageren), vertelde Petra Fisser (SLO). Zie ook deze website. Wat je eigenlijk doet is jezelf regisseren. Het begrip zelfregissering bestaat niet, maar vertelt eigenlijk nog preciezer waar het om gaat. Er is wat dat betreft ook een link met de zogenaamde executieve functies. Zelfsturing en executieve functies zijn niet nieuw. Er is bijvoorbeeld in het Dalton- en vrijeschoolonderwijs ook al ervaring met het inoefenen van vaardigheden bij leerlingen. Er lijkt consensus over het belang van het stimuleren van een goede zelfsturing op jonge leeftijd. Vroeg leren en internaliseren levert de meeste winst op volgens de deelnemers aan de bijeenkomst, maar op latere leeftijd kun je nog wel 'coping-strategieën' aanleren om om te gaan met je eventuele gebrek aan zelfsturings-vaardigheden.

Wat werkt?
Zelfsturing stimuleren kan door:

  • te oefenen (bijvoorbeeld met plannen) en te reflecteren met daarbij de nadruk te leggen op waar het goed gaat;
  • een structuur te bieden die houvast en rust geeft (positieve ervaringen opdoen);
  • aan te haken bij de intrinsieke motivatie van de leerling: als je iets heel graag wilt, zul je meer moeite doen om het te bereiken;
  • te werken aan zowel algemene kennis over alles wat zelfsturing kan onderdrukken (kritisch denken) als aan zelfkennis (metacognitie);
  • verantwoordelijkheden te geven (eigenaarschap) in balans met ondersteuning, of dat nu door hulpmiddelen of door mensen is;
  • voorbeeldgedrag te vertonen.


Media
Over de invloed van media kwam vooral anekdotisch bewijs op tafel, samen met voorbeelden van de 'aandachtseconomie' waarin we ons bevinden met overal en altijd mediaprikkels, vaak in de vorm van reclame. Hier ligt nog een onontgonnen terrein, al zijn er al wel voorbeelden van lessen en activiteiten die de link leggen tussen zelfsturing en mediagebruik. Zo zijn er scholen waar projecten draaien waarbij de leerlingen een week lang hun mobieltje inleveren en in die periode reflecteren op het effect daarvan. Zelf mocht in eind vorig jaar met een groep leerlingen 3 havo een les doen waarbij we samen nadachten over het thema 'regie en mediagebruik'. Daaruit kwamen ook positieve voorbeelden, zoals een app gebruiken om jezelf te stimuleren meer te sporten.


02 maart 2016

Dag digitale native... hallo... huh

Vijftien jaar geleden introduceerde Mark Prensky het begrip 'digital native' voor kinderen die geboren zijn in het digitale tijdperk. Wij, hedendaagse volwassenen, zouden dan de 'digital immigrants' zijn, nieuwkomers in een volledig andere wereld.

Sindsdien is er veel gepubliceerd over deze begrippen. Begrijpelijk, want de metafoor van 'natives' is toegankelijk en spreekt direct tot de verbeelding: een kind van drie swipet naar het volgende plaatje op een iPad, opa en oma zijn bang op een knopje te drukken waarvan ze de functie niet kennen.

Maar zo simpel is het natuurlijk niet. De belangrijkste kritiek op het concept 'digital native' is dat het suggereert dat kinderen die opgroeien met digitale technologie meer vanzelfsprekend begrijpen hoe ze er mee om moeten gaan. Ze zijn immers 'natives' en spreken de digi-taal met hetzelfde gemak als hun moedertaal.

Er is groeiende consensus over dat het zo niet werkt: kinderen zijn weliswaar vaak - zeker niet altijd - handig met de knoppen, maar hun gebruik van technologie is lang niet altijd wijs en efficiënt.

"Kinderen zijn handig, wij zijn verstandig", vat ik dit idee wel eens samen. Ook daar valt op af te dingen:

  • Er zijn genoeg volwassenen die enorm handig zijn met de knoppen. Je zou kunnen stellen dat de verschillen in digitale handigheid net zo groot zijn binnen als tussen generaties.
  • Er zijn genoeg volwassenen die domme dingen doen op het internet. Voorbeelden te over, zou ik zeggen.

Nog een misverstand: wie niet digitaal handig is, kan geen bijdrage kan leveren aan media-opvoeding. Ik denk dat dat wel degelijk kan. Wie begrijpt dat een artikel in een roddelblad niet op waarheid berust, zal over het algemeen ook een bron op het internet kritisch kunnen beoordelen. En wie bedreven is in schriftelijke communicatie, kan uitleggen aan jongeren hoe je je boodschap zo verwoordt dat je de kans op verkeerd begrepen worden verkleint.

Wat nog op tafel ligt, is de vraag of en zo ja, in hoeverre de generatie van na de grote doorbraak van het internet rond 2000 echt anders in het leven staat. Bij die vraag komen de begrippen 'digital native' en 'digital immigrant' toch wel van pas. Wat is het verschil tussen generaties voor en na, wat doet die oneindige, wereldwijde toegang tot informatie en entertainment in de ontwikkeling van jonge mensen? Wat doet vanaf heel jonge leeftijd dagelijks interacteren met devices? Verandert dat alleen dingen die we aan de oppervlakte allemaal wel zien (eerder en beter Engels leren, een betere oog-hand-coördinatie) of gaat het veel dieper (andere normen en waarden, mate van empathie, idealen)?

Voor onderzoekers zijn er dan drie problemen:
  • ik doel op langetermijneffecten; tegen de tijd dat die bekend zullen zijn is de dan actuele situatie waarschijnlijk sterk veranderd (denk maar aan games uit 2000 versus games uit 2015), wat heb je dan nog aan de conclusies?;
  • je vindt nauwelijks tot geen kinderen meer die niet in de digitale wereld opgroeien om deze te kunnen vergelijken met de jongeren die dat wel doen;
  • en hoe kun je eventuele resultaten van je onderzoek exclusief aan de digitale ontwikkelingen toekennen als er ook andere ingrijpende maatschappelijke veranderingen zijn, zoals kleinere gezinnen of multiculturaliteit?

01 maart 2016

Energiemanagement voor kenniswerkers

"De enige winst van timemanagement is dat je meer doet in minder tijd. Dat kan effectief zijn in productieberoepen, maar is het meestal niet voor kenniswerkers." Dat zegt psycholoog Tony Crabbe in het Brabants Dagblad van vandaag in een interview naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe boek 'Nooit meer te druk'.

Crabbe stelt dat het volproppen van je tijd funest is voor je creativiteit, dat zo essentieel is als je met kennis werkt.

Het blijft een uitdaging. Er is altijd wel wat te doen, wat interessants te lezen en ergens op te reageren. En weten dat je regelmatig rusttijd moet pakken, wil nog niet zeggen dat je dat ook doet.

Je zult dan ook beter moeten worden in keuzes maken, routines bedenken en ontwikkelen die je ondersteunen. Dat kunnen heel eenvoudige dingen zijn. Je lunch altijd wandelend nuttigen, in plaats van achter je bureau of met een device in het gezichtsveld. Je telefoon op stil zetten als je op je gemak een stuk wilt lezen.

Ik probeer mijn dagen in te delen vanuit energiemanagement in plaats van timemanagement. Daar zitten twee kanten aan:

  • dingen doen die nieuwe energie geven
  • rustmomenten pakken om energie bij te tanken

Zo plan ik als het kan tijd tussen afspraken, doe ik niet te veel ditjes en datjes op dagen dat ik een presentatie geef in het land, zorg ik ervoor dat ik elke dag beweging, buitenlucht en daglicht krijg, speel of luister ik elke dag naar muziek en probeer ik mijn 'intake' vanuit sociale media in de hand te houden. En ja, van het schrijven een blog krijg ik ook energie.

Wat is jouw gouden tip als het gaat om energiemanagement?

16 februari 2016

OnderWijs Op TaFel: Vlaanderen over onderwijs voor morgen

Ook in Vlaanderen wordt stevig nagedacht over de vraag in welke richting het onderwijs moet bewegen in de context van de snel veranderende wereld. De KU Leuven publiceerde onlangs de resultaten van een publiek debat - OnderWijs Op TaFel - over dit onderwerp.

In vijf fasen kwamen 720 burgers en onderwijsexperts tot een overzicht van hoe het (secundair) onderwijs jongeren kan 'uitrusten om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijke leven'. De resultaten hebben veel overlap met wat er in Nederland aan conclusies getrokken wordt, onder andere door SLO en Kennisnet (21e eeuwse vaardigheden), Onderwijs 2032 en de Nationale Denktank. Toch zijn er ook verschillen in de genoemde inhoudelijke elementen en de manier van categoriseren. En onze zuiderburen kunnen zonder enige last van het verleden het begrip basisvorming gebruiken in de letterlijke betekenis.
  1. Het begint met de vraag wat we met het onderwijs proberen te realiseren: het doel van het onderwijs. Dat kun je volgens de deelnemers aan de dialoog op drie dimensies definiëren. Hier zien we enige overlap met Biesta (2014, tussen haakjes zijn begrippen)
    • de dimensie van het persoonlijke leven (subjectivering)
    • de dimensie van het maatschappelijke leven (socialisatie)
    • de dimensie van het praktische en het beroepsleven (kwalificatie)
  2. Dan formuleert men tien algemene doelen van het onderwijs in de vorm van geletterdheden, vormen van bewustzijn en houding of attitude ('ingesteldheid'). Deze drie vormen zijn een nuttige indeling, de tien invullingen lijken nog wat ongebalanceerd. Zo worden Nederlandstalige en anderstalige geletterdheid als twee aparte items genoemd, terwijl creatieve en kritische ingestelheid juist samen worden gepakt. Een begrip als 'lichamelijke en geestelijke basisconditie' is dan weer een mooie toevoeging.
  3. De uiteindelijke inhouden zijn niet als vakken geformuleerd, maar in termen van werelden, zoals de digitale wereld en de wereld van duurzaamheid. Elementen die ik in de Nederlandse documenten nog niet expliciet vernoemd heb zien staan zijn langetermijndenken en systeemdenken, kritisch consumeren, relaties van zorg en respect, ehbo en het mooie begrip 'historisch kompas'.
De Vlamingen zijn er wat mij betreft met name in geslaagd een heldere structuur neer te zetten en het denken over onderwijs voor morgen te verrijken met een aantal waardevolle inzichten én mooie begrippen. Een uitgebreid verslag en de conclusies van dit publieke debat vind je hier.